Een Oxford-socioloog heeft voor het eerst de volledige geschiedenis op een rij gezet van hoe puberteitsremmers de standaardbehandeling werden bij jongeren met genderdysforie — en wat daar wetenschappelijk eigenlijk voor nodig was. Michael Biggs, verbonden aan het Department of Sociology van de universiteit van Oxford, publiceerde zijn reconstructie in het Medico-Legal Journal onder de titel \"History of and Evidence for Puberty Suppression as Intervention for Children Experiencing Gender Dysphoria\". Zijn conclusie laat weinig te raden over: de bewijsbasis voor een ingreep die inmiddels wereldwijd duizenden kinderen heeft gekregen, is dun.
Een Nederlands experiment uit de jaren negentig
Biggs begint zijn reconstructie bij de oorsprong: Nederlandse genderklinici startten in de jaren negentig met experimenten waarbij Gonadotropin-Releasing Hormone agonisten (GnRHa) — middelen die oorspronkelijk zijn ontwikkeld om vroege puberteit af te remmen — werden ingezet om de puberteit van kinderen met aanhoudende genderdysforie stil te leggen. Dat was op dat moment een nieuwe toepassing, gebaseerd op een kleine groep patiënten en zonder de gerandomiseerde trials die voor andere ingrijpende kinderbehandelingen gebruikelijk zijn. Deze Nederlandse oorsprong van wat later het Dutch Protocol zou heten vormt volgens Biggs het fundament waarop dertig jaar praktijk is gebouwd, zonder dat het fundament zelf ooit stevig is getoetst.
Engeland breidt uit, de resultaten blijven liggen
Het tweede deel van Biggs' artikel behandelt hoe de Gender Identity Development Service (GIDS), destijds de enige jeugdgenderkliniek van de Britse NHS, de Nederlandse aanpak overnam. Vanaf 2010 kregen 44 jongeren puberteitsremmers in het kader van een eigen onderzoek van GIDS. Opvallend aan Biggs' reconstructie is niet de ingreep zelf, maar de timing van de verslaglegging: de resultaten van die proef werden pas jaren later gepubliceerd, terwijl de NHS in de tussentijd GnRHa al had omgezet van experimentele interventie binnen onderzoek naar reguliere, breed beschikbare zorg. Tussen 2015 en 2024 bleef dat de standaardbehandeling binnen de Britse jeugdgenderzorg — op basis van een Nederlandse pilotstudie die niet werd gerepliceerd, en een Britse vervolgstudie waarvan de uitkomsten niet tijdig beschikbaar waren voor de clinici die het middel ondertussen al voorschreven.
Wat de bewijsbasis werkelijk laat zien
In het derde deel vat Biggs samen wat er, na dertig jaar gebruik, daadwerkelijk bekend is. Zijn oordeel: er bestaat \"slechts weinig bewijs\" voor de werkzaamheid en veiligheid van puberteitsremmers als interventie bij genderdysforie. Gegevens over de lange termijn zijn schaars — de meeste studies volgen patiënten voor enkele jaren, niet voor decennia. De nadelige gevolgen voor botdichtheid zijn wel goed gedocumenteerd: puberteitsremming onderbreekt een periode waarin het skelet normaal gesproken piekmassa opbouwt. Over mogelijke effecten op cognitieve ontwikkeling en seksuele functie bestaat volgens Biggs nog minder duidelijkheid — niet omdat onderzoek die effecten heeft uitgesloten, maar omdat ze onvoldoende zijn onderzocht.
Waarom dit meer is dan geschiedschrijving
Biggs' artikel is geen aanklacht, maar een nauwgezette tijdlijn — en juist dat maakt het ongemakkelijk leesmateriaal voor wie stelt dat puberteitsremmers \"goed onderzocht\" zijn. Een kleine Nederlandse proef zonder controlegroep werd de basis voor een internationale praktijk; een Britse vervolgstudie werd ingezet als rechtvaardiging voordat de uitkomsten er waren. Dat patroon — eerst uitrollen, dan pas evalueren — is precies wat endocrinoloog William Malone eerder al blootlegde toen hij sprak over een \"staat van diepe wetenschappelijke onwetendheid\" rond deze behandelingen. Het verklaart ook waarom discussies over de bewijsbasis van genderzorg zo vaak uitlopen op een welles-nietes: de onderliggende data waarop beleid en behandelrichtlijnen steunen, zijn simpelweg dunner dan het vertrouwen waarmee ze worden gepresenteerd.
Bronnen
Michael Biggs, \"History of and Evidence for Puberty Suppression as Intervention for Children Experiencing Gender Dysphoria\", Medico-Legal Journal, online gepubliceerd 9 december 2025 (journals.sagepub.com/doi/10.1177/00258172251392357). Zie ook de samenvatting via PubMed (PMID 41366725) en de Oxford-publicatiepagina via Oxford University Research Archive.

Nienke Vogelaar
Redactie
Veelgestelde vragen
Wie is Michael Biggs en wat heeft hij onderzocht?
Michael Biggs is socioloog aan de universiteit van Oxford (Department of Sociology, St Cross College). In het Medico-Legal Journal reconstrueert hij de geschiedenis van puberteitsremmers (GnRHa) als behandeling bij genderdysforie, van de Nederlandse oorsprong in de jaren negentig tot de bewijsbasis die daar uiteindelijk voor bestaat.
Wat vond de Britse jeugdgenderkliniek GIDS volgens Biggs zonder dit te publiceren?
GIDS gaf vanaf 2010 puberteitsremmers aan 44 jongeren in het kader van een eigen onderzoek. De resultaten van die proef zijn jarenlang niet gepubliceerd, terwijl de NHS het middel in dezelfde periode wel als standaardbehandeling ging aanbieden.
Wat concludeert Biggs over de bewijsbasis voor puberteitsremmers?
Volgens Biggs is de bewijsbasis mager: gegevens over langetermijneffecten zijn schaars, de nadelige gevolgen voor botdichtheid zijn bekend, en over de effecten op cognitie en seksuele functie is nog minder bekend.